Bijzondere bomen

De beuk: embleem van het Zoniënwoud

Grote_en_kleine_beukIndrukwekkende, kaarsrechte beuken die hoog in de hemel reiken: daar staat het Zoniënwoud voor bekend. Het Zoniënwoud heeft zijn bijnaam ‘beukenkathedraal’ duidelijk niet gestolen.

Het Zoniënwoud bestaat vandaag voor 70 procent uit beukenbos. Dat stamt nog uit de tijd van de Oostenrijkse Habsburgers (1714-1795). De jonge Oostenrijkse landschapsarchitect Joachim Zinner liet massaal beuken aanplanten. Die vormen tot vandaag de majestueuze beukenkathedraal. Beuken ouder dan 200 jaar zijn geen uitzondering. Beukenhout werd vroeger gebruikt om houtskool te maken. Bovendien is het zeer geschikt voor meubels en speelgoed, omdat het hout hard is en niet splintert.

Beukennootjes zijn een lekkernij voor tal van dieren in het bos: reeën, eekhoorns en muizen. Toch heeft een beukenbos ook nadelen. Het dichte bladerdek van de beuk laat weinig licht door. Dat bemoeilijkt het kiemen van jonge plantjes. De gevallen bladeren verteren moeilijk. Daardoor hoopt de onverteerbare humus zich op en verzuurt de bodem.

Superman van het woud: de eik

eikDe eik is een van de meest imposante bomen van het woud. De favoriet van de wandelaar wegens zijn machtige verschijning, en tegelijk de lieveling van de houthakker door zijn vaste waarde op de houtmarkt.

Zelfs wie geen natuurspecialist is, herkent de eik met z’n ogen dicht. Het is een majestueuze boom die meer dan 30 meter hoog en tot honderden jaren oud kan worden. De kroon van de eik is breed vertakt; zijn stam is gedrongen. De grijsbruine schors wordt bij oudere bomen zwart met spleten. De eik is een natuurwereld op zich: niet alleen processierupsen zijn tuk op zijn stam. Tussen de richels van de schors en in het gebladerte wemelt het van de rupsjes en larfjes, torretjes en kevertjes, mieren en spinnen. De eik is ook geliefd bij eekhoorns en gaaien, herten en everzwijnen, die allen op de eikels afkomen.

Eiken zijn er in vele soorten. Typisch voor onze streken zijn de zomereik en de wintereik. In Zuid-Europa is er veel meer variatie, met de moseik, Hongaarse eik, Iberische kurkeik, steeneik en hulsteik. De Amerikanen delen hun vele eikensoorten traditioneel op in een witte en een rode groep. Tot die laatste behoort de ‘Amerikaanse eik’, die ook in Europa op tal van plaatsen werd aangeplant.

De tanende populariteit van de Amerikaanse eik

vilda_Zaailingen_van_Amerikaanse_eik_A5_22412_Jeroen_MentensDe Amerikaanse eik werd omwille van zijn snelle groei – en dus ook zijn winstgevende houtopbrengst op korte tijd – in het begin van de 19de eeuw vanuit het noordoosten van Amerika naar onze streken ingevoerd.

Vandaag is hij in het bos een minder graag geziene gast. Zijn gevallen bladeren vormen een dikke strooisellaag, die moeizaam verteert. Hierdoor verzuurt de bodem en kunnen veel inheemse soorten er niet langer groeien. Zo vind je onder de brede kruin van de Amerikaanse eik vaak alleen maar … zijn eigen zaailingen. Bij kappingen zal hij dan ook eerder voor de bijl gaan dan een inheemse boom.
Toch verdient die boom het nu ook niet om volledig uitgeroeid te worden. Want eekhoorns en vleermuizen stellen een gezellige nestholte hoog in een rijzige, oude Amerikaanse eik bijzonder op prijs.

De stekelige bolster van de tamme kastanje

Bolsters_van_Tamme_kastanje_Jeroen_Mentens-1

Oorspronkelijk komt de tamme kastanje in het Middellandse Zeegebied voor. Sinds de 16de eeuw – zo getuigen Brusselse wandtapijten – groeit de tamme kastanje in kleine aantallen  in het Zoniënwoud. Zijn hout is bijzonder taai, elastisch en duurzaam. Looistoffen wapenen het hout tegen vocht en schimmels. Kastanjehout gaat bijzonder lang mee. Zelfs onbehandeld blijft het jarenlang onaangetast. Dat maakt het bijzonder geschikt voor weidepalen of hekwerk, maar ook voor het dakgebinte en parket.

Zijn vrucht, de tamme kastanje, wordt gemakkelijk verward met die van de wilde kastanje. Om zeker te spelen: de tamme kastanje herbergt in zijn stekelige bolster, dicht op elkaar drie puntige kastanjes. Bij de wilde kastanje vind je slechts één gaafronde vrucht.

Een elegante vertegenwoordiger van de olijffamilie: de es

Vilda_78533_Gewone_es_Lars_SoerinkDe es is een rijzige boom, met slanke opstijgende hoofdtakken. Hij draagt tegenoverstaande samengestelde bladeren, die uit negen tot dertien onregelmatig getande, vrijwel zittende deelblaadjes bestaan. In de winter is hij makkelijk te herkennen aan zijn zwarte, fluweelachtige knoppen in de vorm van een mijtertje. Vruchtdragende essen behouden nog een hele tijd na de bladval hun gevleugelde nootjes, ‘samara’s’. Die hangen in dichte bundels over de hele kroon verspreid.

De es zaait zich gemakkelijk uit en groeit snel op rijkere, vochtige gronden. Hij houdt goed stand in het bos, van zodra hij zijn plaats in het bovendek heeft veroverd. Want de es heeft als volwassen boom wel licht nodig. Nog vaker vind je hem in houtkanten, en ook in dreven en lanen doet hij het goed. Typisch voor parken en tuinen is dan weer de fraaie treurvorm, die door enten wordt vermeerderd.
Essenhout is buigbaar en goed bestand tegen schokken. Het wordt dan ook gebruikt om bijl- en spadestelen te maken en gymnastiektoestellen.

Esdoorn voelt zich thuis in het Zoniënwoud

Gewone esdoorn; acer pseudoplatanus; Common mapleDe esdoorn heeft een misleidende naam: hij behoort niet tot de familie van de es (oleaceae) en hij heeft geen dorens. Hoe kun je hem dan wel herkennen? Aan het handvormige blad, zijn gladde, dunne schors en de vruchten die je dankzij hun vleugels als een helikopter kan laten tollen.

In onze streken is vooral de gewone esdoorn wijd verspreid. Ook de Noorse esdoorn, die met zijn puntig uitlopende bladlobben gemakkelijk met een plataan verward kan worden, kun je in onze bossen spotten. De kleinere veldesdoorn daarentegen, met kleiner blad, is veel zeldzamer. In de arboreta, vooral in dat van Tervuren, vind je nog tal van andere exotische esdoorns. In de herfst staan ze garant voor een prachtig kleurenspel.

In het Zoniënwoud, dat voor 70 procent uit beuk bestaat, is de gewone esdoorn met 2 procent de vierde loofboomsoort, na zomereik (13%) en wintereik (2%). In de toekomst zal hij nog meer te zien zijn, want van nature plant hij zich gemakkelijk voort en als jonge boom verdraagt hij goed schaduw. Dat is goed nieuws voor de biodiversiteit in het bos, want het dode hout van de esdoorn trekt tal van zeldzame zwammen, lichenen en mossen aan.

Over elzenproppen en elzenbroeken

Vilda_29576_Blad_van_Zwarte_els_Rollin_VerlindeDe els is in de winter van ver te herkennen aan zijn dichte, wat warrige profiel, met fijne takken, getooid met vele lange, hangende, mannelijke katjes en kleinere, opstaande, vrouwelijke katjes. De vrouwelijke katjes vormen na bestuiving een soort kegel, de zogenaamde elzenproppen, die geheel verhouten en nog lang na de zaadval aan de boom blijven hangen. De zwarte els, die bij ons het meest voorkomt, heeft een omgekeerd, eirond, dubbel gezaagd blad dat aan de top stomp en vaak U-vormig ingekerfd is. Het blad van de zeldzamere witte of grauwe els is spits aan de top en viltig behaard aan de onderkant.

De zwarte els doet het goed op een natte standplaats. Hij is een typische soort voor beek- en brongebieden. Ook op voedselarme en veenachtige bodems aardt hij goed dankzij zijn stikstofbindende wortelknolletjes. Je vindt hem daar dikwijls samen met de zachte berk. Op leemachtige gronden groeit de els vaak samen met de es.

Elzenbosjes werden door de eeuwen heen meestal als hakhout beheerd, omdat zij na de kap gemakkelijk opnieuw uitlopen en dus continu brandhout en geriefhout leveren. Vandaar dat je zoveel meerstammige elzen ziet. Elzenhout is in contact met de lucht niet erg duurzaam, maar is wel goed bruikbaar voor constructies onder water. Het wordt dan ook dikwijls gebruikt voor wanden van waterputten. Eigenaardig is dat het vers gezaagde hout onmiddellijk feloranje kleurt.

De maagdelijk witte berk

Vilda_16972_berken_op_Gosson__Rollin_VerlindeZomer en winter herken je de berk meteen aan zijn helderwitte bast, vaak bespikkeld met zwarte, ruitvormige vlekken. De berk is een pionierssoort bij uitstek. In juli-augustus maken de zaadjes zich los van de katjes om zich op vleugeltjes te laten meevoeren door de wind. Een berk kiemt op eender welke plek en houdt overal stand, zelfs in de dakgoot of tussen de kasseien.

In Europa kennen we vier berkensoorten. Vooral de ruwe berk, ook wel zilverberk genoemd, voelt zich thuis in het Zoniënwoud.

Lekkere nootjes van de hazelaar

Vilda_78529_Hazelaar_Lars_SoerinkAls er een boom echt inheems is, dan is het de hazelaar wel. Hij koloniseerde onze streken al lang voordat er sprake was van België. Na de ijstijd was het een van de eerste bomen die hier weer bossen vormden. Archeologen hebben aangetoond dat zelfs onze voorouders weleens een hazelnootje lustten, door grote hoeveelheden doppen op te graven in de buurt van nederzettingen. Geen wonder: de nootjes zitten boordevol vetten en eiwitten. Ze hielpen de prehistorische mens zeker om de strenge winters door te komen.

De hazelaar is onze vroegste lentebloeier. Sierhazelaars onderscheiden zich door gekrulde twijgen of roodgetinte bladeren. De veelstammige struik kan wel wat schaduw hebben, maar onder een dicht bladerdak krijgt hij het moeilijk. Daarom kan hij zich beter redden in hakhoutbos.

Je kunt de hazelaar herkennen aan zijn grote, bijna ronde bladeren, die wat aan de zomerlinde doen denken. Maar dankzij de dubbel gezaagde bladrand en de korte spits boven aan het blad kun je hem makkelijk onderscheiden. Het buigzame rijshout leent zich goed voor het zwaardere vlechtwerk, zoals in vlechtwerkwanden.

De olm: een bedreigde boomsoort?

Vilda_53547_Iep_Jeroen_MentensIn de prehistorie maakten de iepen (ook wel olmen genoemd) een belangrijk deel uit van het Atlantische oerbos in de Lage Landen. Met de opkomst van de landbouw nam hun aandeel onder de inheemse bomen geleidelijk af. Het loof werd als veevoer gebruikt; het harde hout was vooral bij meubel- en wagenmakers in trek. Sinds de iepenziekte toesloeg in het begin van de 19de eeuw, is het aantal iepen zeer sterk verminderd.

Het blad van de iep of olm lijkt een beetje op dat van de haagbeuk, maar de bladrand is dubbel gezaagd. Het olmenblad heeft een typische scheve bladvoet, waarbij de ene kant lager aanzet op de korte steel dan de andere kant. Ook de vrucht kun je makkelijk herkennen: een plat nootje, ingebed tussen twee vliezige vleugels. De drie inheemse soorten – gladde iep, ruwe iep en fladderiep – zijn iets moeilijker van elkaar te onderscheiden. Twijgen van de gladde iep hebben vaak kurklijsten. Bij de fladderiep zijn de bloemen en vruchten gesteeld.

De iepenziekte wordt veroorzaakt door een schimmel, die de iepenspintkever overdraagt. Van een aangetaste boom sterft het bovengrondse deel snel af. De gladde iep kan door wortelopslag opnieuw uitgroeien. De ruwe iep plant zich bijna alleen via zaad voort en is daardoor extra kwetsbaar voor de ziekte. De fladderiep is door zijn stevige bast het best tegen kevervraat bestand. De olmen zijn niet echt met uitsterven bedreigd, maar grote, volgroeide bomen zijn wel zeer zeldzaam geworden.

De mispel: zeldzame lekkernij

Vilda_35264_Mispel_Lars_SoerinkNet zoals de kastanje is de mispel een vruchtboom die in de Romeinse tijd vanuit het oosten in onze streken is ingevoerd en zich in onze bossen heeft gehandhaafd. In tegenstelling tot de kastanje is de mispel wel zeldzaam. Hij maakt bloem en vrucht, maar de zaden kiemen heel moeilijk. Hij groeit ook zeer traag. Meestal komt hij voor in struikvorm, maar hij kan ook tot een kleine boom uitgroeien. Je vindt de mispel in oude, lichte bossen, bosranden, houtkanten, struwelen en heggen.

Het blad van de mispel is ongedeeld, lancetvormig tot omgekeerd eivormig, gaafrandig en aan de onderkant zacht behaard. De wilde mispel kun je het makkelijkst herkennen aan zijn bloem en vrucht. De bloem is vrij groot, met vijf roomkleurige kroonblaadjes en vijf tot de helft vergroeide stijlen. De rijpe vrucht is bruin en rond, licht afgeplat en 2 tot 3 centimeter groot.
Je kunt de vrucht pas eten als die overrijp is. Sommige natuurliefhebbers menen dat je mispels moet laten rotten voordat je het malse vruchtvlees uit de ruwe schil kunt zuigen. Niet iedereen is daar gek op, maar je kunt in elk geval een lekkere gelei maken van het vruchtvlees. Mispels waren vooral in de 19de eeuw populair. In onze streken zijn er een viertal cultuurrassen bekend. Cultuurmispels kun je van de wilde soort onderscheiden door hun grotere bladeren en vruchten. De cultuurrassen werden vaak geënt op onderstammen van de wilde mispel of verwante meidoorn.