Amfibieën

Op pad met de gewone pad

Gewone_padVan alle amfibieën is de gewone pad misschien wel de bekendste bewoner van het Zoniënwoud. Met haar enorme kop, uitpuilende ogen en pokdalige huid blijft de pad je dan ook ongetwijfeld lang bij.

De gewone pad apprecieert als geen ander het vochtige klimaat en de rijkdom aan dood hout op sommige plaatsen in het Zoniënwoud. Maar ook in het water voelen padden zich kiplekker: elk jaar, tussen maart en april, trekken ze met z’n allen naar de verschillende vijvers van het Zoniënwoud. Ze zoeken er een geschikte partner uit om zich voort te planten. De vrouwtjespadden zetten er in snoeren wel tot 6.000 eieren af. Zo’n snoer kan gemakkelijk 2 tot 4 meter lang zijn.

De gewone padden komen vooral ’s nachts tot leven. Overdag houden ze zich liever schuil in zelfgegraven holletjes of onder stenen en houtstronken. Ook als de winter zijn intrede doet, zoekt de pad een lekker warm holletje op. Ze sluit dan haar ogen en gaat in winterslaap. Het diertje verkeert maandenlang in een sluimerende toestand, waarbij het niet eet of beweegt. Vanaf maart, als het weer wat aangenamer wordt, kruipt de pad opnieuw tevoorschijn.

De pad is een alleseter en pakt zo goed als alles wat in haar bek past. Op het menu staan vooral kleine ongewervelden zoals insecten, spinnen, slakken en regenwormen.

De bruine kikker kleurt Zoniën

Bruine kikkerNet zoals de gewone pad heeft ook de bruine kikker het uitstekend naar zijn zin in het schaduw- en waterrijke Zoniënwoud. In februari, maart en april duiken de bruine kikkers de vijvers in om eitjes te bevruchten en kikkerdril af te zetten. Dat kun je het best vergelijken met een grote klont slijm met ontelbaar veel donkerbruine puntjes, de eitjes. Eén kikkervrouwtje kan wel 4.000 eitjes afzetten.

Hoewel de naam het anders doet vermoeden, verschilt de kleur van kikker tot kikker: groenachtige of rode ‘bruine’ kikkers zijn geen uitzondering. Wel hebben ze allemaal een donkerbruine, typerende vlek achter de ogen.

De huid van de bruine kikker is glad en slijmerig. In tegenstelling tot de gewone pad beweegt hij zich al springend. Op een warme zomerdag is dat vooral in de richting van water. Hij zit dan aan de oever van een vijver om bij gevaar snel het water in te plonzen. De bruine kikker kan zich ook in laagveenweilanden, moerasbossen en ooibossen uitstekend behelpen. En wie goed kijkt, vindt hem zelfs in akkerland, tuinen en stadsparken.

De capriolen van de alpenwatersalamander

AlpenwatersalamanderMet hun ongevlekte, feloranje buik en goudkleurige iris zijn alpenwatersalamanders ongetwijfeld een van de opvallendste en mooiste amfibieën van het Zoniënwoud. Ze zijn van alle salamanders het meest aan water gebonden: in moerassen, poelen en stroompjes voelen ze zich als een vis in het water.

Van begin maart tot eind juni vind je dit diertje in de verschillende vijvers van het woud om er te paren. De mannetjes zoeken dan een vrouwtje en proberen haar te versieren door rond haar te zwemmen. De bevruchting gebeurt uitwendig. De eitjes worden door het vrouwtje één voor één afgezet op waterplanten. Ook na de paring blijft de salamander steeds dicht in de buurt van poelen en vijvers. Ze maken het daarbij soms echt wel bont. Zo gedragen ze zich in de vijvers als echte slokoppen en happen ze naar alles wat beweegt.

Zonnebaden met de kleine watersalamander

Kleine_watersalamanderHet kleine broertje van de alpenwatersalamander heeft een bruine bovenkant met donkerbruine vlekken. De kleine watersalamander voelt zich thuis in zonnig, stilstaand water met een slijkerige bodem. Hij houdt zich vooral op in parken en tuinen. Omdat hij zonnigere oorden verkiest, tref je hem minder vaak in het Zoniënwoud dan de alpenwatersalamander.

 

Vinpootsalamander: koele minnaar

VinpootsalamanderDe vinpootsalamander heeft een bruingevlekte rug en een gele streep over zijn buik. Hij houdt zich schuil onder stronken, stenen, dode bladeren en soms in kelders van frisse, vochtige woningen. Met wat geluk zie je hem ’s nachts in het water, bij het licht van een zaklamp. Hij vertoeft het liefst in poelen, karrensporen, vijvers en bronnen aan de rand van bossen, zoals in de vochtige zones van het Zoniënwoud.

Vuursalamander houdt van beukenbossen

VuursalamanderVuursalamanders herken je aan hun glanzend zwarte kleur met heldergele vlekken. De vuursalamander is een echte bossoort. Hij woont in schaduwrijke en vochtige bossen en wouden met veel dood hout, vooral beuken- en eikenbossen. In het Zoniënwoud komt hij voor in de Vuilbeekvallei in Ukkel en Watermaal-Bosvoorde.

 

Kamsalamander: beschermde soort

KamsalamanderDe kamsalamander is een grote, donkere salamander met een ruwe huid en witgespikkelde flanken. Hij woont in gebieden met hagen, houtwallen, rijen knotbomen, rietkragen en vochtige bosjes. De kamsalamander plant zich voort in zonnige en permanente poelen, vijvers en geulen. In het Zoniënwoud werd hij gespot in de Kleine Flossendelle in Tervuren. Maar omdat hij vooral van zonnige plekjes houdt, vindt hij in het Zoniënwoud niet altijd zijn gading. Gelukkig wordt deze kwetsbare soort beschermd door de Europese Habitatrichtlijn.