Vogels

Havik: behendig jager

HavikDe havik is een indrukwekkende roofvogel die zich vooral thuis voelt in uitgestrekte, rustige bossen. Ook in het Zoniënwoud komt hij voor. In de lente van 2011 nestelden vijftien paar haviken zich in het woud.

De havik bouwt zijn nest hoog in de top van een boom, liefst in de buurt van een open plek of aan de rand van het woud. Hij broedt er meerdere jaren na elkaar en breidt zijn nest telkens uit. Hij jaagt vooral op vogels zoals gaaien, spreeuwen en houtdieven. Hij achtervolgt ze behendig tussen de bomen door. Zo nu en dan vangt hij ook een konijn of een eekhoorn tussen zijn klauwen.

Boomklever: stuntman onder de vogels

BoomkleverDe boomklever heeft zijn naam niet gestolen: als een volleerde acrobaat kruipt hij zonder problemen omhoog én omlaag langs een boomstam. Dat is onder de vogels een uniek kunstje.

De boomklever komt in heel Europa voor, met uitzondering van Ierland, Schotland en een groot deel van Scandinavië. Hij voelt zich vooral thuis in een loofbos waar veel oude bomen staan. Dat komt omdat de vogel tijdens de broedtijd, van eind april tot juli, veel liever boomholtes of verlaten spechtenholen gebruikt dan zelf een nestje te bouwen. En laat er in oude bomen nu net geen gebrek zijn aan boomholtes en spechtenholen.

Op het menu van de boomklever staan vooral insecten, zaden, noten, vruchten, graan en bessen. Met zijn scherpe bek zet hij harde noten tussen de boomschors vast en hamert ze stuk.

Boomkruiper: meester in onopvallendheid

BoomkruiperDe boomkruiper is zo’n vogeltje dat je alleen opmerkt als je erg goed kijkt. Als de boomkruiper stilzit, is hij bijna zelfs niet te ontdekken. Zijn verenpak lijkt sprekend op de boombast, zijn favoriete actieterrein.

Op zoek naar voedsel springt de boomklever langs de boomstam omhoog. Insecten, spinnen en houtluizen vormen zijn voornaamste voedselbron. Om die kleine beestjes te grazen te nemen moet hij nauwgezet tussen de spleten van de boomschors speuren. Zodra hij een lekkernij heeft gevonden, kost het hem, met zijn slanke gebogen snavel, amper moeite om het slachtoffer los te peuteren.

Boomkruipers zijn ook echte gezelligheidsdiertjes: bij strenge koude kruipen ze knus bij elkaar. Uit zo’n bal van veren kunnen soms wel tien of meer staartjes steken. De boomkruiper komt vooral in Centraal- en Zuidwest-Europa voor, maar ook in het Zoniënwoud kun je hem het hele jaar spotten.

Grote bonte specht: timmerman van het woud

Grote_bonte_spechtHet hameren van de grote bonte specht met zijn snavel tegen de boom is ongetwijfeld een van de meest typerende bosgeluiden die wij hier kennen. Het is meteen ook de reden waarom spechten de timmerlui van het bos worden genoemd.

Spechten zijn echte bosbewoners. Je kunt ze in loof-, naald- en gemengde bossen tegenkomen of (wat waarschijnlijker is) horen. Al timmerend met hun ijzersterke snavel bouwen ze in een boom een nestgat of ze gaan in de schors op zoek naar voedsel. Zodra ze een diertje op het spoor zijn, zetten ze hun geheime wapen in: hun lange tong, die bij de groene specht zelfs tot 10 centimeter groot kan worden. Aan het einde van de tong zitten weerhaakjes, waarin mieren en andere beestjes verstrikt raken.
Net zoals de boomklever en -kruiper kan de grote bonte specht ook omhoog langs een boomstam kruipen. Daarbij maakt hij gebruik van zijn staart, als extra steun.

De rode pet van de middelste bonte specht

Middelste bonte spechtDe middelste bonte specht komt vooral voor in weelderige, oude loofbossen. Dan is het Zoniënwoud voor deze vogel toch spek voor zijn bek? Zeker weten: in 2002 werd het eerste broedgeval genoteerd. Men schat dat er nu een negentigtal broedkoppels zijn.

In het Zoniënwoud vindt de middelste bonte specht dood hout bij de vleet. Daarin peutert hij met zijn snavel naar smaakvolle en voedzame insecten. Ook zaden en vruchten staan op zijn menu. Hij is een zwijgzame vogel, die zelden roffelt. Hij verdedigt zijn leefgebied met een nasale, klagende roep. In zachte en rotte plekken van oude bomen hakt hij zijn nest uit. Naast zijn gestalte onderscheidt hij zich van de kleine bonte en de grote bonte specht door zijn volledig roodgekleurde kruin, zonder zwarte delen. De middelste bonte specht is dus de specht met de rode pet!

Zwarte specht: beschermde soort

Zwarte_spechtDeze spectaculair uitziende vogel kan wel 45 centimeter groot worden. Hij heeft een zwart verenkleed en een rode kruin. Zijn thuis zijn hoogstammige beuken en populaties van oude grove dennen. Zijn nestholte hakt de zwarte specht rechtstreeks uit in een levende boom, tot 15 meter hoog. Hij werkt grote hoeveelheden insecten naar binnen, vooral mieren. Regelmatig vind je sporen van zijn pikplekken aan de voet van dode bomen en op grote boomstronken.

In het Zoniënwoud wonen enkele broedparen van de zwarte specht. Die weinig voorkomende soort is tuk op uitgestrekte bossen met veel oude, hoogstammige beuken. De zwarte specht is zo zeldzaam, dat hij beschermd wordt door de Europese Habitatrichtlijn.

IJsvogel: vuurtorentje

IJsvogelNiet grijs, bruin, noch zwart, zoals de meeste vogels in onze contreien, maar wel turkoois en knaloranje, dat zijn de schutkleuren van de ijsvogel. Jawel, je leest het goed, schutkleuren, en die zijn de ijsvogel op het lijf geschreven. Zijn habitat: beken en rivieren. Zijn lievelingshapje: visjes en waterinsecten. Als hij boven het water vliegt en het oppervlak afspeurt naar een smakelijke prooi, dan is hij nauwelijks te zien voor zijn vijanden, roofvogels als de buizerd en de sperwer.

Het liefst installeert de ijsvogel zich op een uitkijkplaats boven het water. Uren zit hij op de loer, tot hij een prooi in de gaten krijgt en het water in duikt. Om vis te vangen is zijn lange snavel feillozer dan een harpoen. Als de buit binnen is, dan is het tijd om een vrouwtje rond zijn poot te winden. Dat doet het mannetje door haar een vis aan te bieden. Deze bijzondere vogel geniet bescherming van de Europese Habitatrichtlijn.

Goudhaantje: kleinste Europese vogeltje

GoudhaantjeAmper 4 tot 7 gram weegt het goudhaantje. Met zijn lengte van 9 centimeter is hij het kleinste Europese vogeltje. Hij houdt vooral van naaldbomen, zoals grove den, lork en fijnspar. Hoewel het Zoniënwoud vooral uit loofbos bestaat, komt hij er ook voor. Met wat geluk zie je hem schichtig van boom naar boom fladderen. Hoog in de boomkruinen gaat hij op dunne takjes op zoek naar smakelijke hapjes, het liefst insecten.

Het goudhaantje is erg gevoelig voor de koude. Vooral tijdens sneeuwrijke winters heeft hij het moeilijk om voldoende eten te vinden. Hoe strenger de vorst, hoe minder goudhaantjes de winter doorkomen. In het Zoniënwoud neemt het aantal broedende goudhaantjes de laatste jaren gelukkig geleidelijk toe.

Winterkoninkje vrolijkt koude dagen op

WinterkoningMet zijn lengte van 9 tot 10,5 centimeter is het winterkoninkje een van de kleinste vogels in Europa. Op zijn menu staan insecten en spinnen. Hij vertoeft vaak in de buurt van struikgewas en braamstruiken. Daar vindt hij onderdak, slaapplaats en bescherming. Hij maakt er zijn bolvormige nest, het liefst in de buurt van kreupelhout waar hij veel voedsel vindt.

Het winterkoninkje vind je overal in het Zoniënwoud, hoewel je minder kans hebt hem te zien op plekken waar veel beuken staan. Het dichte bladerdak van de bomen zorgt ervoor dat de lagere begroeiing – waar het winterkoninkje van houdt – geen kans krijgt.

Rond parken en tuinen met hagen heb je meer kans om het vogeltje te spotten. Het winterkoninkje lijkt op een klein bruinrood bolletje als je hem van onderen bekijkt. Langs boven gezien is hij witbruin, met een tekening van fijne donkerbruine streepjes. In vergelijking met zijn gestalte kan het vogeltje heel luid zingen. Zijn lied bestaat uit korte ‘zinnetjes’ die luide, vibrerende noten (trillers) afwisselen met metaalachtige klanken. Het winterkoninkje heeft zijn naam niet gestolen: het is een van de weinige zangvogels die ook in de winter zingen.