Zoogdieren

In het Zoniënwoud leefden ooit niet minder dan 46 soorten zoogdieren. ‘Leefden’, want sinds 1842 zijn zeven soorten zoogdieren uit het woud verdwenen. De bruine beer verdween in het jaar 1000, de wolf rond 1810. Het hert werd rond 1900 voor het laatst gesignaleerd. Het everzwijn maakte in 2006 opnieuw zijn entree, na een afwezigheid van bijna honderd jaar. De laatste zoogdieren die het toneel verlieten, waren de das, de haas en de hazelmuis.

Reeën: de mannequins van het woud

Ree

De ree is zonder twijfel het meest fotogenieke zoogdier van het Zoniënwoud. Maar om een ree te spotten moet je vroeg uit de veren. Reeën zijn immers vooral in de schemering actief. Omdat recreanten het woud vooral bij valavond bezoeken, heb je bij het ochtendgloren de grootste kans om reeën te zien. Wees alert, want ze zijn meesters in vermomming: ze verschuilen zich tussen struiken en jonge boompjes. Enkel de mannetjes dragen een gewei. Reeën zijn echte lekkerbekken: naargelang het seizoen knabbelen ze aan bramen, bessen, grassen, twijgen en scheuten van struiken en bomen.

In het voorjaar verspreiden de reeën zich, nadat ze de hele winter in groep hebben geleefd. De jonge mannetjes trekken zich terug om hun eigen territorium af te bakenen en de vrouwtjes verstoten hun jongen van het jaar daarvoor. Mei en juni zijn cruciale maanden voor de reeën: dan jongen ze. De reekalfjes staan nog onvast op hun poten en hebben veel nood aan rust en kalmte. Stoot je tijdens een wandeling per toeval op een reekalfje, kom dan niet te dichtbij en raak het niet aan. Zijn moeder heeft het zeker niet in de steek gelaten. Ze heeft zich gewoon verstopt voor de indringer en zal naar haar jong terugkeren zodra het gevaar geweken is.

Lees meer over reeën in het artikel ‘Een wegspringende ree, die is het vroege opstaan meer dan waard’ in het lentenummer 2012 van Zicht op Zoniën.

Vleermuizen: fluwelen fladderaars

dwergvleermuis
Onder de zoogdieren die vandaag in het Zoniënwoud leven, tellen we veertien soorten vleermuizen. Dat is indrukwekkend, want in heel het land komen maar achttien soorten voor. Die rijkdom valt te verklaren door de grote biologische waarde van het bos en de geschikte jachtterreinen aan de rand ervan, vooral boven en rond de vijvercomplexen van de Woluwe, IJse, Voer en Argentine. Ook de vlaktes met struiken en ruigtekruiden op open plekken in het bos zijn belangrijke jachtterreinen. Daarnaast stellen vleermuizen de talrijke dode bomen in bijvoorbeeld de bosreservaten erg op prijs als schuilplaatsen.

Als verblijfplaats hebben vleermuizen nood aan voldoende oude of holle bomen met scheuren en barsten. Onderzoekers erkennen dat het Zoniënwoud op dat vlak heel goed voorzien is. Er komen veel meer oude bomen voor dan in de overige bossen in ons land. Dat verklaart waarom in het Zoniënwoud zo uitzonderlijk veel soorten hun toevlucht zoeken. Sommige vleermuizen zijn bovendien bedreigd: de vale vleermuis, ingekorven vleermuis, mopsvleermuis, meervleermuis en Bechstein-vleermuis. Hun habitat geniet bescherming door Natura 2000, het netwerk van Europese natuurgebieden.

Lees meer over vleermuizen in het artikel ‘Het Zoniënwoud, een paradijs voor fluwelen fladderaars’ in het lentenummer 2012 van Zicht op Zoniën.

De rode eekhoorn: ambassadeur van het bos

eekhoorn
Geen bosbewoner zo schattig als de rode eekhoorn. Met zijn donzige staart, zijn witte buikje en al
knabbelend op beukennootjes wint hij in geen tijd de harten van alle wandelaars en fietsers. De rode eekhoorn is dan ook een prima ambassadeur van het bos. Hij kan tot 25 centimeter lang worden. Zijn staart, die hij gebruikt om zijn evenwicht in bomen te bewaren, wordt zo’n 20 centimeter lang. Hij klimt en klautert op bomen als was het kinderspel, op zoek naar eikels en kastanjes.

De rode eekhoorn leeft vooral in uitgestrekte naaldbossen en gemengde bossen, van Europa tot in het verre China. Tijdens de winter verschuilt hij zich vooral in zijn nest. Hij houdt geen winterslaap, maar blijft wel erg kalm. Hij vult zijn dagen dan alleen maar met slapen, voedsel zoeken en eten. Als gevolg van de versnippering van zijn habitat (onder meer door de aanleg van wegen), de overdaad aan monoculturen en het gebrek aan dood hout en oude bomen, gaat het de laatste jaren sterk bergaf met de rode eekhoorn. Daarenboven moeten ze afrekenen met een aantal natuurlijke vijanden zoals marters en roofvogels, en worden ze vaak het slachtoffer van auto-ongelukken.

Everzwijn: schuwe kolos

EverzwijnSinds 2006 is het everzwijn in het Zoniënwoud terug van weggeweest. Met zijn snuit wroet hij in de aarde, gretig op zoek naar eikels, kastanjes, beukennootjes, wortelstokken en regenwormen. Zo vermengt hij de humus in de bodem en verspreidt zaden in het rond. Twee positieve neveneffecten die een gevarieerde plantengroei in het bos in de hand werken.
De kans dat je een everzwijn tegen het lijf loopt, is klein, omdat ze vooral ’s nachts actief zijn. En als je er eentje tegenkomt, is hij eerder geneigd om het op een lopen te zetten. Want deze kolos – wel tot 150 kilogram – is van nature eerder een schuw dier met een teruggetrokken levensstijl. Wellicht moet je je dus tevredenstellen met zijn sporen die hij op je pad achterlaat: brede afdrukken van zijn hoeven met aan beide zijden kleine uitstulpingen, afkomstig van zijn nauwelijks ontwikkelde tenen.