Verhalen en legendes

 

De legende van de Boom van Lotharingen

Karel-Alexander van Lotharingen (Karel) was in zijn tijd een veel en graag geziene gast bij de adel en kunstenaars. Het grootste deel van zijn tijd bracht hij in gezelschap door, met jagen, wandelen… en met kleine pleziertjes.

Temidden van het koninklijk domein van Tervuren had Karel een jachtpaviljoen waar hij ongestoord kon verpozen, op adem komen en zich toeleggen op zijn meer intieme bezigheden. Want Karel was een man. En net als alle mannen had ook Karel donkere kantjes en geheimen.

De boom waarover het gaat, is een Chimaera, bestaande uit acht met elkaar vervlochten takken. De Chimaera is een organisme dat niet bestaat in de natuur, een levend wezen helemaal verzonnen door de mens … een beetje zoals het bekende monster van Frankenstein, dat dateert van dezelfde periode.

Karel leek er plezier in te scheppen om Chimaera’s te scheppen – wie anders dan hij zou zich daarmee ledig gehouden hebben, op zijn domein, in zijn tijd? Het heeft er alle schijn van dat Karel, af en toe of regelmatig, op jacht vertrok, officieel dan toch. Op zulke gelegenheden ging hij dan in het geheim naar zijn verborgen laboratorium in het hart van het woud, om er zich in alle rust en ver weg van volkse praatjes uit te leven in zijn passie. Want op zijn eigen domein had hij zich niet te verantwoorden.

In het jachtpaviljoen waren verschillende ruimten, waaronder een kapel en enkele kamertjes voor zijn bedienden. En een kelder.

Laten we niet vergeten dat Karel tijdens zijn leven een aantal tegenslagen te verwerken kreeg die hem zwaar aan het hart moeten gelegen hebben. In december van het jaar 1744 verloor Karel-Alexander op enkele dagen tijd zijn dochter, zijn vrouw en zijn moeder. Hij had zijn leger niet tot in Nancy kunnen brengen, noch de landen van zijn voorvaderen kunnen heroveren; hij was verslagen door Frederik II van Pruisen, verslagen door Maurits van Saksen tijdens de slag om Rocourt, verslagen ook in de slag om Praag. Om met de grond gelijk gemaakt te worden door Frederik II tijdens de slag om Leuthen.

Ondanks die nederlagen bleef Karel een welgesteld en waardig man. Maar achter die stoere façade, die extravagante openheid hield zich mogelijk ook een man op die gekwetst en ontgoocheld was, die het lot wou keren door het in eigen handen te nemen. Zou dat niet afdoend verklaren waarom hij zijn leven op zijn eigen manier wou herscheppen, door dat wat leeft te doorgronden en de doden te laten herrijzen?

Zijn meest nabije entourage was op de hoogte van zijn kleine pleziertjes, maar wie zou gewaagd hebben om de Prins van Oostenrijk, ridder van de Orde van het Gulden Vlies tijdens zijn leven in diskrediet te brengen? En wie van zijn naasten zou het ook na zijn dood aangedurfd hebben toe te geven dat ze van zijn bezigheden op de hoogte waren? Het bewijs ligt voor de hand… Na Karel’s dood werd het paviljoen volledig met de grond gelijk gemaakt.

De kelder is er nog steeds – ingestort en vol brokstukken … Maar wie weet, misschien ligt onder al dat vuil wel een ultiem bewijs van de waarheid…