Hoe verjongen we het plenterbos en waarom?

Tekst door Frederik Vaes, Departementshoofd Bos, Leefmilieu Brussel

Het plenterbos, das Plenterwald, continuous cover forestry, la forêt jardinée

« Imiter la nature, hâter son œuvre » (De natuur nabootsen, haar werk versnellen), Dit oude gezegde, dat bekend is bij bosbouwers en wordt toegeschreven aan Adolphe Parade[1], vat een belangrijk principe samen van de bosbouw met continue bodembedekking, oftewel het beheer van ongelijkvormig opgaand bos beheerd op boomniveau, ook wel plenterbos genoemd.

Plentering of uitkap is een oogstsysteem waarbij individuele bomen op doeldiameter[2] worden geoogst, of waarbij individuele toekomstbomen meer ruimte krijgen om door te groeien naar die doeldiameter door dunning. Het verschil met andere beheersystemen is dat het beheer zich toespitst op de toekomstboom[3], en niet op wat op perceelsniveau gebeurt. In deze laatste beheersystemen (kaalslag, femelslag, schermslag, en andere) gaat de beheerder op een gegeven ogenblik een bosvak/bospeceel kappen om de verjonging vlaksgewijze in te zetten, via aanplant, natuurlijke verjonging of een combinatie van beide.

In het plenterbos is verjonging het gevolg van de oogst van individuele bomen. De oogst van bomen gebeurt niet in functie van verjonging. Verjonging is het gevolg van de oogst. Deze basisregel voorkomt dat de beheerder “exploitatieoffers” [4]brengt.   

Dit uitkapbos werd tot in detail op punt gesteld door de Zwitserse natuuronderzoeker, Biolley (“méthode du controle”[5]) die hiervoor de mosterd haalde bij de Fransman Gurnaud. In het centralistisch gestructureerde Frankrijk slaagde dit uitkapsysteem niet, of kreeg het geen kans om voet aan grond te krijgen. Biolley was wel succesvol in het kanton Neuchâtel. Wellicht heeft de Zwitserse kantonnale autonomie hem de nodige vrijheid bezorgd om gedurende een lange carrière[6] dit systeem goed gedocumenteerd op poten te krijgen. Zijn beheer wordt op dit ogenblik nog steeds voortgezet en de bossen in le Couvet (Neuchâtel) gelden wereldwijd als een bosbouwkundig referentiepunt.

Figuur 1 Schematische voorstelling van een Biolley-inventaris: de kleuren vertegenwoordigen 12 boomsoorten, de balkjes vertegenwoordigen de aantallen per diameter- of dikteklassen. Het bovenste staafdiagram geeft een typische uitkapcurve weer, ook wel Liocourtcurve genoemd.

Cellenaanplant

Wat heeft dat te maken met de aanplant in “truppen” of in cellen, sommigen zeggen ook “kloempen”, afgeleid van het Duitse Klump?

In het uitkapsysteem is de basis van de verjonging in het ideale geval natuurlijke verjonging die volgt op het ontstaan van een opening in het kronendak. In het Zoniënwoud gaat het in vele gevallen over overvloedige natuurlijke verjonging van beuk, gewone esdoorn en haagbeuk.

In het licht van de klimaatverandering willen de beheerders meer andere soorten inbrengen die beter bestand zouden zijn tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering: langdurige droogte in het groeiseizoen, natte winters en hittegolven in de zomer.

De beuk is nog steeds de belangrijkste boomsoort in het Zoniënwoud (nagenoeg 7 op de 10 bomen zijn beuken). De soorten die we meer in de menging willen, zijn: eiken, lindes, boskersen en begeleidende soorten als haagbeuk, berk en nog een aantal andere zoals wilde lijsterbes of veldesdoorn. Als je naar natuurlijke verjonging kijkt in het plenterbos ziet die er vaak uit zoals in figuur 2.

Figuur 2 Natuurlijke verjonging van wintereik.¨

Na verloop van tijd ontstaat een wat men noemt ‘verjongingskegel’, met in het centrum hogere individuen dan aan de rand wat te maken heeft met lichtinval en met lichtkwaliteit. Het is dit fenomeen dat beheerders willen nabootsen door cellen aan te planten. In figuur 3 is hetzelfde effect waarneembaar. In dit geval gaat het om een aanplant van zomerlinde, op de voorgrond. Op de achtergrond links bevindt zich een cel met wintereik in een gelijkaardige configuratie.

Figuur 3 Aanplant van een cel zomerlinde op de voorgrond en een cel wintereik in de achtergrond links in een windworpgat.

Waarom cellenaanplant?

Hier geldt het adagio van het boomgericht beheer. Wetenschappelijk onderzoek toont voor Wintereik alvast aan dat het aanplanten van 19 individuen van deze soort met 12 begeleiders (soorten die rond de cel worden geplant) uiteindelijk minstens één hoogwaardige toekomstboom kunnen opleveren. Wetende dat 35 volwassen toekomstbomen per ha een volledig gesloten kronendak kunnen opleveren, volstaat het dus om op deze manier 35 cellen aan te planten in een regelmatig patroon om datzelfde effect te bereiken op een kaalkapvlakte. Dat betekent dat een aanplant van 1085 boompjes per ha dus kan volstaan. Bij vlaksgewijze verjonging wordt standaard vaak 2 meter bij 2,5 meter geplant, ofwel 2000 stuks per ha.

Naast dit besparende effect, biedt deze vorm van aanplanting ook kansen om in de tussenliggende niet verjongde delen spontane processen te laten ontwikkelen. Op figuur 3 zien we over een belangrijke oppervlakte de aanwezigheid van bramen. Deze bramen vertegenwoordigen een belangrijke biodiversiteitswaarde (voedselbron voor reeën, schuil- en nestelplaats voor talloze vogels, ongewervelden en zoogdieren, stuifmeel- en nectar tijdens de bloei, bessen in de zomer en bovendien een extra gelaagdheid). Deze extra waarde gaat in volleveldsaanplantingen of vlaksgewijze verjonging vaak na enkele jaren volledig verloren onder een volledig gesloten kronendak.

Wie cellenaanplant zegt, ziet eigenlijk de aanplant van één toekomstboom, die na verloop van tijd uit deze cel zal overblijven. Waarom niet één boom planten, zal je misschien denken?

Mocht je slechts één boom planten, dan riskeer je veel. De boom zal laagvertakt blijven (zonder concurrentie van andere), hij kan afsterven of opgegeten worden, of hij kan een slecht fenotype opleveren.

Aanplant van een cel met voldoende individuen vraagt een minimale opvolging in de eerste levensjaren en biedt een maximale garantie op een kwaliteitsvolle toekomstboom.

Bijkomende voordelen van deze methode zijn: de aanplant van cellen is veel motiverender voor de terreinarbeiders dan een aanplant op grote oppervlakken in rijen. De cellen vallen meteen duidelijk op en trekken zo de juiste aandacht van degenen die deze cellen moeten opvolgen. En bovendien ziet het er allemaal veel natuurlijker uit.

Zo zijn we weer aanbeland bij het beginadagio: “imiter la nature, hâter son oeuvre”.

En hoe moet het nu verder?

Op de volgende afbeelding (4) bevinden we ons in het hart van een cel die ca. 14 jaar geleden werd geplant. Het temperament van de verschillende individuen en hun kwaliteit worden duidelijk. Het is bijna tijd om de keuze van onze toekomstboom te maken. Deze toekomstboom moet aan de volgende voorwaarden voldoen: zo recht mogelijk, zo vitaal mogelijk, liefst supervitaal[7], zonder gebreken (zware zijtakken, vorken, grote wonden, gezondheidsproblemen) en op het ogenblik van de definitieve keuze van de toekomstboom, moet deze voldoende takvrij zijn over een lengte van 25% van de uiteindelijk verwachte eindhoogte. In de meeste gevallen betekent dat een takvrij stamstuk van 6 tot 8 meter.

In dit geval bieden drie opties zich aan: de boom op de voorgrond, de boom linksachter en de boom rechtsachter. De andere bomen zijn duidelijk minder vitaal en vertonen krommingen in de stam. Merk ook op dat op de achtergrond hazelaars als begeleiders aanwezig zijn. In het bijzonder voor wintereiken, zoals hier, is het belangrijk om begeleidende boom- of struiksoorten te hebben. Zij gaan de stam als het ware inpakken en voorkomen dat zich gedurende diens levensloop waterlot[8] vormt op de stam van de uitverkoren toekomstboom.

Figuur 4 Een 14-jarige cel van Wintereik.

De toekomstboom en het vervolg

Na de keuze van de toekomstboom, na wat we ook noemen de kwalificatiefase (Qualifizierung), komt het eropaan om die toekomstboom zo snel mogelijk dik te laten worden (Dimensionierung). Dit principe wordt kortweg Q/D-methode[9] genoemd, mooi geïllustreerd in de volgende figuur 5.

Figuur 5 Onze toekomstboom van kwalificering tot dimensionering.

Belangrijk is dat de kroonbasis op dezelfde hoogte blijft, hier 8 meter. Dit bereiken we door cyclisch de kroon van de toekomstboom systematisch volledig vrij te stellen bij dunning. Daardoor blijft de kroon, de motor van de groei, op volle kracht aan fotosynthese doen, vormen er zich geen dode takken op de stam waardoor de houtkwaliteit kan afnemen, en zijn regelmatige jaarringbreedtes van 0,5-0,7 cm breed perfect mogelijk (omtrekaanwassen tussen 3 en 4cm per jaar). Dit betekent dat een eik met als doeldiameter 1 m en een diameter van 20 cm aan het begin van de dimensioneringsfase op een leeftijd van 20 jaar, kan geoogst worden op een leeftijd van 100 jaar.

Dit is een relatief korte tijd vergeleken met eiken in een kaalslagsysteem, zoals in forêt de Tronçais (Frankrijk), die geoogst worden op een leeftijd van 180 jaar.

Het voordeel van deze strategie is dat de bomen minder lang aan risico’s worden blootgesteld (wind, catastrofes, ziektes,…), dat ze een grotere kroon hebben en stabieler  en waarschijnlijk ook beter bestand zijn tegen de effecten van klimaatverandering. Bovendien is de rente op het kapitaal bijna verdubbeld in vergelijking met een klassiek kaalslagsysteem.

Besluit

Aanplant in cellen past volledig in het plenterbos, en in het Zoniënwoud dat in omvorming is naar het plenterbos. Waar gewenste natuurlijke verjonging zich aanbiedt, na oogst van individuele bomen, kan de Q/D strategie leiden tot snelgroeiende en kwalitatief hoogstaande bomen. En dit met behoud van een gelaagde structuur in het bos, een menging van boomsoorten, een ecologisch interessanter bos met zachte ingrepen die het bosmicroklimaat maximaal behouden. Voor Biolley was een bijkomende reden dat het bos continu hoogwaardig hout oplevert, maar dan niet op een schoksgewijze manier met plotse kaalstelling van erosiegevoelige percelen die daardoor een volledig microklimaat verliezen.

Figuur 6 Erosiebestrijding is één van de belangrijkste redenen om niet meer aan kaalslag te doen.

Voetnoten


[1] In 1838 wordt Parade directeur van de École forestière de Nancy, en dit tot aan zijn dood in 1864.

[2] Doeldiameter is de diameter die minimaal moet bereikt worden om een maximaal financieel rendement op te leveren voor de betrokken boom met zijn inherente houtkwaliteit.

[3] De toekomstboom is de eenheid van behandeling, niet het perceel. Niettegenstaande dat wordt een regelmaat in de interventies voorzien op perceelsniveau.

[4] Een exploitatieoffer is de vroegtijdige oogst van een boom die zijn doeldiameter nog niet heeft bereikt.

[5] Deze methode gaat uit van een nauwgezette inventaris teneinde de aanwas te bepalen en de verschillende diameterklassen te kennen om te komen tot een constante oogst in een vaste rotatie.

[6] Als 23-jarige ingenieur kreeg hij groen licht om deze methode in de praktijk om te zetten in de gemeentebossen van Couvet, Val-de-Travers (Zwitserland).

[7] Een supervitale boom is een boom die merkelijk sneller groeit dan de andere van dezelfde leeftijd.

[8] Waterloten zijn scheuten die ontstaan uit slapende knoppen die zich in de schors bevinden. In het bijzonder bij eiken lopen deze knoppen uit bij stress of plotse blootstelling van de schors aan zonlicht.

[9] Wie meer wil lezen : Naturnahe Waldwirtschaft mit der Q/D-Strategie, Georg Josef Wilhelm, Helmut Rieger (2018).

Aanmelden op onze nieuwsbrief

Vul uw gegevens in om in te schrijven op onze nieuwsbrief.

Deze website maakt gebruik van cookies volgens ons privacy beleid